Quality modes

ElectronBron: Electron september 2015
Door: Remco Post PE1PIP

Digitale spraak
Digital Mobile Radio (DMR), deel 2

Dit is het tweede deel van twee afleveringen over DMR in de serie over digitale spraak zoals die in gebruik is onder zendamateurs. DMR is de tweede digitale mode in Nederland waarvoor er een netwerk is gekomen. Het grote succes van digitale spraakmodes voor VHF en UHF lijkt in hoge mate bepaald te worden door de aanwezigheid van zo’n netwerk. Voor D-STAR, waarvoor als eerste in Nederland een netwerk was opgezet, was het in het begin niet mogelijk dingen zelf te bouwen. Inmiddels is dat bij D-STAR veranderd, maar DMR bevindt zich op dit moment nog in het stadium dat er vooral me gekochte apparatuur en repeaters gewerkt wordt. DMR heeft, net als D-STAR eerder, een spectaculaire groei doorgemaakt. En nog steeds komen er om de paar weken nieuwe repeaters bij. Er is een goede website, beheerd door Peter PA3PM, met veel informatie over onder andere de netwerkuitbreidingen bij DMR:http://www.hamdigitaal.nl. Binnen de DMR-standaard is er ruimte voor drie soorten gesprekken: individuele gesprekken (‘een op een’), groepsgesprekken, en ongeadresseerde gesprekken. Individuele en groepsgesprekken kunnen voorzien worden van een indicatie dat ze plaatsvinden over een open kanaal. Bij amateurgebruik is er natuurlijk altijd sprake van een open kanaal. Door de ‘open kanaal’-modus aan te zetten als je een QSO opzet, stel je anderen in staat niet alleen mee te luisteren met het gesprek, maar ook deel te nemen aan een ‘een op een’ QSO of aan een groepsgesprek dat oorspronkelijk niet aan hen gericht was. Overigens is er een verschil tussen een groepsgesprek en een uitzending naar een praatgroepje. Een uitzending naar een praatgroepje is altijd ‘open kanaal’, en iedereen die wenst deel te nemen aan een praatgroep kan die uitzending ontvangen. Dit is de door amateurs meest gebruikte mode. De Nederlandse zendamateurs die zich bezighouden met DMR doen dat voornamelijk via repeaters. Directe QSO’s lijken, net als bij D-STAR, minder gebruikelijk te zijn. Op dit moment zijn de Nederlandse repeaters zo ingericht dat tijdslot 1 gebruikt kan worden voor QSO’s op vrijwel alle groepen, terwijl tijdslot 2 beperkt is tot lokale gesprekken. Dat ‘lokaal’ kan dan zowel lokaal op de repeater zijn als ‘lokaal’ binnen Nederland, wat aangeeft dat dit soort netwerken voor hetoverige, net als bijvoorbeeld EchoLink, wereldwijde netwerken zijn. Uit het voorgaande wordt overigens ook meteen duidelijk dat alle gesprekken die via een repeater plaatsvinden groepsgesprekken zijn.

Signalering en headers
Binnen de standaard is er in bursts B tot F door het weglaten van de synchronisatie ruimte over. Deze ruimte wordt gebruikt voor signalering. Hiervoor worden velden van de header gebruikt. Voor dataverbindingen wordt uitsluitend gebruik gemaakt van header frames c.q. header bursts; bij spraak worden de headers verspreid over header frames en de bursts B tot F. In de header wordt aangegeven wie de afzender is, voor wie of welke groep de uitzending is bestemd, en nog zo wat zaken. Bij spraak zit de bestemming ook in de bursts B tot F, en dit wordt dus ook voortdurend herhaald. Hierdoor is het voor een station dat later inschakelt nog steeds mogelijk te bepalen of het die uitzending wel wil ontvangen.

De Hytera MD785 mobiele zendontvanger voor DMR

De Hytera MD785 mobiele zendontvanger voor DMR

Identificatienummers
Iedere gebruiker, maar ook iedere groep, wordt aangeduid met een uniek nummer. Er zijn inmiddels internationale afspraken over het gebruik van de verschillende nummers voor groepen. Ook is afgesproken dat gebruikersidentificaties in een vaste reeks worden toegewezen. Voor Nederlandse amateurs is dat de reeks van 2040000 t/m 2049999. Overigens is het voor DMR noodzakelijk dat ieder apparaat een eigen identificatienummer heeft. Een enkele amateur kan dus meerdere nummers aanvragen, voor ieder van zijn sets een. Een identificatienummer is wat dat betreft niet heel anders dan een telefoonnummer: een nummer zonder verder veel betekenis. De nummers hebben daarbij een vergelijkbare indeling als mobiele telefoonnummers. Ook gespreksgroepen worden aangeduid met een, eenvoudig, nummer. Voor de groep ‘lokaal op deze repeater’ is internationaal nummer 9 afgesproken; nummer 204 is voor heel Nederland. Het is niet te doen voor alle nummers te onthouden welk nummer van wie is. Gelukkig voorzien vrijwel alle apparaten in de mogelijkheid een vrij uitgebreid ‘telefoonboek’ in te laden, waarin je dus bijvoorbeeld de roepletters van een amateur kan koppelen aan zijn identificatienummer, zodat bij het ontvangen van een ID van een bepaalde amateur diens roepnaam in het display verschijnt. DMR heeft zich bij zendamateurs de afgelopen twee jaar zo spectaculair ontwikkeld, dat ID-nummers inmiddels schaars aan het worden zijn. Om die reden is er bij een nieuwe ontwikkeling, DMR-hotspots, voor gekozen alle hotspots hetzelfde ID-nummer toe te kennen (en wel 901004; ‘901’ is hierbij de zogenaamde MCC-ITU voor wereldwijd gebruik, en 004 is de identifier).

De Hytera RD985, de meest gebruikte DMR repeater in Nederland

De Hytera RD985, de meest gebruikte DMR repeater in Nederland

Services
In het kader van DMR tier 2 is het goed even stil te staan bij ‘services’ ofwel diensten. Een vast of mobiel DMR-station biedt een of,
meestal, meer diensten. Je zou verwachten dat iedere repeater in ieder geval de dienst ‘spraakrepeater’ moet bieden, maar de standaard schrijft dit niet voor. Het enige dat voorgeschreven is, is dat een mobiel station de service ‘feature not supported signalling’ moet ondersteunen. Natuurlijk zijn de diensten ‘group call service’, ‘individual call service’ en ‘voice call repeating’ wel diensten die voor het amateurgebruik noodzakelijkerwijs geïmplementeerd moeten zijn op de mobiele en basisstations om die apparaten nuttig te maken.

Gebruik
DMR is in extreme mate ontworpen om gebruikt te worden in professionele omgevingen. Dat wil zeggen, bijvoorbeeld een bedrijf dat op een of meer locaties gebruikers in staat wil stellen snel en goedkoop met elkaar te communiceren. Dat blijkt erg sterk uit de manier waarop de apparatuur
gebruikt moet worden. Als amateurs zijn we gewend een frequentie in te stellen en de knop in te drukken, en ‘gaan’. Bij DMR gaat het allemaal heel erg anders. Iedere portofoon en iedere mobilofoon moet geprogrammeerd worden voordat hij kan worden gebruikt. Binnen DMR wordt er daarnaast gedacht in zones en kanalen. Kort samengevat is een zone een verzameling van kanalen die gelijke eigenschappen hebben. Kanalen kunnen in de meeste sets analoog of digitaal zijn en hebben de bekende eigenschappen als een zend- en ontvangfrequentie. Bovendien moet er bij een digitaal kanaal worden ingesteld welk van de twee tijdslots er op het betreffende kanaal gebruikt zal worden, en kan er worden aangegeven welk station of welke groep er via dit kanaal standaard wordt aangeroepen. Het DMRplus-netwerk (ook wel Hyteranetwerk genoemd), dat door amateurs is ontworpen, heeft behalve de talkgroepen ook reflectors, vergelijkbaar met die bij D-STAR. Pas nadat alle kanalen en zones, naast nog wat andere instellingen zoals de eigen identificatie, geprogrammeerd zijn kan er worden gezonden. Bij professioneel gebruik is dit geen enkel probleem. De gebruikers zijn het daar gewend niet heel veel anders te kunnen dan een kanaal te kiezen en de knop in te drukken om te zenden. Voor ons zendamateurs zal dit behoorlijk wennen zijn.

Conclusie
De DMR standaard is in technische zin een zeer complexe standaard die moeilijk te doorgronden is. Voor normaal gebruik is dat helemaal niet erg, maar voor wiens nieuwsgierigheid verder gaat dan het bedienen van een ‘koopdoos’ is er weinig begrijpelijke documentatie beschikbaar.
DMR kent een aantal sterke punten die velen zullen aanspreken. De verbeterde vocoder t.o.v. D-STAR, twee kanalen per frequentie en dus ook twee gesprekken tegelijkertijd per repeater, en het bereik, dat beter is dan dat van D-STAR en FM, zijn de voornaamste. Het generieke ontwerp van DMR en het ontbreken van multibandapparatuur zijn enkele nadelen. De netwerkdiensten die op dit moment worden geboden zijn vrij basaal, wat niet betekent dat ze slecht zijn. Wat vooral interessant is om te zien, is hoe het netwerk zich in de toekomst zal ontwikkelen. Momenteel is er sprake van een (meer)
gesloten DMR-MARC-netwerk (MARC = Motorola Amateur Radio Club) en het al genoemde DMRplus-netwerk. Algemeen wordt aangenomen dat op vrij korte termijn deze beide netwerken met elkaar verbonden zullen zijn, en dat er vergelijkbare koppelingen naar het D-STAR-netwerk bij zullen komen. Tussen DMRplus en D-STAR bestaan momenteel in verschillende landen ook al van dit soort koppelingen. In de eerste jaren was er bij D-STAR overigens ook sprake van twee netwerken, en je kunt al vele jaren moeiteloos vanuit het ene netwerk (ircDDB) gebruikers op het andere netwerk (D-PLUS) bereiken.

Geef een antwoord